Vectorworks werkomgevingen

Elke Vectorworks-uitbreidingsmodule heeft een unieke werkomgeving met aangepaste menu’s, paletten en gereedschappensets (zie Workspaces). Tijdens een sessie kan je paletten openen, sluiten en verplaatsen. Wanneer je Vectorworks afsluit, worden de laatst gebruikte instellingen van de werkomgeving bewaard. De volgende keer dat je Vectorworks opstart, zullen deze instellingen opnieuw geladen worden.

Zie Sjablonen creëren om de instellingen aan te passen voor het bestand dat wordt geopend bij het opstarten van Vectorworks. 

Vectorworks Design Suite werkomgeving op Venster - Lichte modus

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste elementen die terug te vinden zijn in alle werkomgevingen.

Component

Omschrijving

Titelbalk

Alle vensters, paletten, gereedschappensets en dialoogvensters hebben een titelbalk. Klik-en-versleep een titelbalk om het item te verplaatsen. Zie Functies van paletten.

Menubalk

Vergroot de breedte van het toepassingsvenster en bevat vervolgkeuzemenu's die toegang geven tot Vectorworks commando's; toont de omschakeling startscherm/werkgebied en besturingselementen voor Snelzoeken, Weergavebalk en inloggen Vectorworks-account. (zie Het Startscherm en Zoeken in Vectorworks

Weergavebalk

 

Vergroot de breedte van het toepassingsvenster en bevat knoppen en vervolgkeuzemenu's waarmee de weergave op verschillende manieren kan worden geregeld; de weergave van de Weergavebalk kan worden geregeld via de Menubalk en Weergavebalkinstellingen. Zie Weergavebalk.

Methodebalk

Vergroot de breedte van het toepassingsvenster van de toepassing en geeft drie typen besturingselementen weer:

Werkvlak methodes voor 3D-tekenen staan helemaal links; zie Werkvlak methodes.

Snelle voorkeuren staan helemaal rechts; zie Voorkeurenbalk.

De verschillende methodes die het gedrag van het actieve gereedschap bepalen, staan naast de werkvlak methodes.

De meeste gereedschappen hebben meerdere methodes die op elkaar kunnen inwerken bij het gebruik van het gereedschap, en sommige gereedschappen hebben submethodes die afhankelijk zijn van de activering van specifieke primaire methodes. 

De gereedschapsmethodes zijn onderverdeeld in secties volgens de functie van de methodegroepen. Om makkelijk te wisselen tussen de methodes van een groep, kan je de toetsen U, I, O, P, [ (haakje links) en ] (haakje rechts) gebruiken. Elke toets komt overeen met een specifieke groep van methodes (zie de tabel ‘Methode selecteren in de Methodebalk’ in Speciale sneltoetsen bewerken).

Het onderdeel Gereedschapsmethodes geeft ook toegang tot de voorkeuren van het gereedschap en eventuele aanvullende essentiële instellingen.

Paletten

Er zijn verschillende paletten beschikbaar, afhankelijk van het serienummer; ze kunnen verplaatst, gesloten en van grootte veranderd worden. Zie Paletten en gereedschappensets.

Statusbalk

Vergroot de breedte van het toepassingsvenster en geeft informatietekst, berichten over ongedaan maken, waarschuwingen en een voortgangsbalk weer (indien van toepassing). Tot slot worden in de Statusbalk ook coördinaten weergeven. Als de Grijpopties worden losgekoppeld van de Weergavebalk, worden deze weergegeven op de Statusbalk.

Tekenzone

Dit is de regio in het midden van het programmavensten waar je je tekening creëert. De tekenzone omvat zowel het afdrukgebied als de ruimte errond.

Afdrukgebied

Het afdrukgebied wordt afgebakend door een grijze rand in de tekenzone, indien je ervoor kiest om deze weer te geven. Alleen de objecten die binnen het afdrukgebied liggen, worden afgedrukt. Het afdrukgebied is onderverdeeld in pagina’s, waarbij elke pagina overeenkomt met een blad papier waarop je de tekening afdrukt. Elke pagina heeft ook een printmarge (zie Het tekenformaat).

Toon aanzichtkubus

Hiermee kun je snel wisselen tussen standaardweergaven of slepen om een Vlieg over uit te voeren en aangepaste weergaven in te stellen. Afhankelijk van de instellingen geeft de aanzichtkubus ook visuele aanwijzingen voor de oriëntatie van de tekening, waaronder coördinaatassen, een kompasring en indicatoren voor een geroteerd 2D/Planaanzicht en/of wanneer het aanzicht is ingesteld ten opzichte van het werkvlak. Zie Aanzichtkubus weergave.

Zwevende coördinatenbalk

Afhankelijk van het actieve gereedschap en de handeling die je uitvoert, zal in FLOAT de Coördinatenbalk informatie worden weergegeven betreffende de coördinaten, lengte en hoek. Gebruik de snelle voorkeuren voor Instellingen coördinatenbalk om de werking van de coördinatenbalk te regelen (zie De Coördinatenbalk gebruiken). Deze instellingen kan je eveneens aanpassen via het menu Venster > Instellingen Coördinatenbalk.

Linialen

De horizontale en verticale linialen geven de globale coördinaten van de muisaanwijzer aan. Ze helpen om een object exact te plaatsen in een tekening. Bovendien wordt de locatie van de cursor aangeduid op de linialen en kan je de weergave van deze aanduiding aanpassen in het dialoogvenster ‘Instellingen grafische onderdelen’ (zie Voorkeuren Vectorworks: Categorie Interface).

Het punt (0,0) in de tekening is het gebruikersnulpunt of het nulpunt van het werkvlak (indien een werkvlak is ingeschakeld). Met het commando Gebruikersnulpunt kan je het gebruikersnulpunt verplaatsen ten opzichte van het interne nulpunt of het nulpunt van het werkvlak ten opzichte van dat van de laag (zie Gebruikersnulpunt).

De linialen kunnen verborgen worden door middel van een optie in de Vectorworksvoorkeuren (zie Vectorworks preferences:

Gridlijnen

De gridlijnen van het grijpgrid en het referentiegrid helpen je om een object exact te plaatsen in een tekening. Om de gridlijnen te verbergen, schakel je de functie Toon gridlijnen uit (zie Grijpen naar grid en Grijpgrid en referentiegrid).

Scherminformatie

Wanneer je de cursor op een gereedschap of methode plaatst, verschijnt er een hint met extra informatie naast de cursor. Dit gebeurt ook bij bepaalde andere paletfuncties. Deze informatie kan bestaan uit een beschrijving van het item, een sneltoets en/of meer uitleg.

Zwevend menu

 

Indien ingeschakeld, biedt het Zwevende menu toegang tot gereedschappen en paletten in de zone rondom de cursor (zie Zwevend menu).

Standaard is het Vectorworks thema ingesteld om de instelling van het besturingssysteem voor donkere of lichte modus te gebruiken op zowel Mac als Windows. Vectorworks gebruikt ook standaard lichte achtergrondkleuren voor het tekengebied en voor voorbeeldafbeeldingen in dialoogvensters. Deze instellingen kunnen gewijzigd worden in de categorie Algemeen van Voorkeuren Vectorworks.

Je kan de kleuren van interface-elementen naar wens aanpassen, voor zowel lichte als donkere achtergronden. Zie Instellingen grafische onderdelen. De Weergavebalk en Gereedschapsbalk gebruiken de accentkleur die is ingesteld voor je besturingssysteem om bepaalde geselecteerde instellingen aan te geven, zoals Snelle voorkeuren. Je kan die kleur eventueel aanpassen om de zichtbaarheid te verbeteren.

Vectorworks Design Suite werkruimte op Windows - Donkere modus (Voorkeur Gebruik donkere achtergrond is ingeschakeld)

Keuzelijsten in dialoogvensters bewerken

Extra toetsfuncties

De objectbewerkmodus

Voorkeuren Vectorworks

Voorkeuren document

Hulpbronnenbeheer

Het Infopalet

Niet gevonden wat je zocht? Vraag het aan onze virtuele assistent Dex.